de verering van Sint Lucia
Lucia sterft in het jaar 304 of 305 de marteldood in haar woonplaats Syracuse (Sicilië). Zij is een van de talrijke slachtoffers van de christenvervolgingen onder de Romeinse keizer Diocletianus.
Volgens een legende verbreekt de jonge Lucia haar verloving na een gebedsverhoring. Zij is met haar zieke moeder naar het graf van de H. Agatha in Catania gegaan om te bidden voor genezing. Haar moeder geneest en naar aanleiding van deze vreugdevolle gebeurtenis besluit zij een vroom leven te gaan leiden, zonder huwelijk. Ook schenkt zij al haar bezit aan de armen.
Haar gekrenkte verloofde klaagt Lucia aan. Voor straf wil men Lucia in een bordeel plaatsen, wat vreemd genoeg niet lukt. Zij is niet van haar plaats te krijgen; zelfs een span ossen slaagt er niet in haar te verslepen. Vervolgens wordt zij op de brandstapel gezet, maar het vuur krijgt geen vat op haar. Uiteindelijk sterft zij na een dolkstoot in de hals.
Lucia wordt afgebeeld als jongedame met een dolk of zwaard door de hals en de martelaarpalm in haar hand. Ook zien we haar weleens tussen de vlammen of met een os aan haar voeten. Sommige attributen houden verband met haar naam, zoals twee ogen op een schaal – Lucia betekent: licht. Bij de ogen is na verloop van tijd een legende ontstaan. Zij zou zichzelf de ogen hebben uitgerukt om mannen op afstand te houden.
In de achttiende eeuw neemt de verering van Lucia in Ravenstein een hoge vlucht en vanuit de omgeving komen bedevaarten op gang. Deze bedevaarten zijn waarschijnlijk doorgegaan tot begin twintigste eeuw. De in 1718 opgerichte Luciabroederschap heeft eveneens tot in de twintigste eeuw bestaan. De H. Lucia wordt aangeroepen bij keelpijn en oogaandoeningen. Zij is patrones van blinden, oogartsen en opticiens.